Laatste foto's

Geschiedenis Predikanten

Dominee H. Slatius   (uitgebreide beschrijving)

Predikant van 1606 - 1613

De meest besproken en tot nog toe enige geëxecuteerde Herveldse predikant is ongetwijfeld Henricus Slatius. Van 1606 tot 1613 was hij in Herveld dominee. Als fanatiek remonstrant nam hij deel aan een complot, waarbij prins Maurits om het leven zou worden gebracht. De samenzwering werd echter bekend voordat de moord kon plaatsvinden, en Slatius werd ter dood veroordeeld.

Slatius werd in 1580 te Oosterland, Zeeland, geboren. Herveld was de eerste gemeente die hij als predikant gediend heeft, van 1606 tot 1613. Vanuit Herveld is hij vertrokken naar Bleiswijk.

In die tijd was er in de kerk, die toen (Nederduyts) Gereformeerde Kerk heette, onenigheid tussen de aanhangers van Arminius en van Gomarus. De laatste beweerde dat slechts de Here God mensen uitkoos om eeuwig met Hem te leven. Arminius was van mening, dat een wilsbeslissing van de mens beslissend was of een mens al dan niet bij God hoorde. De Nederlandse Geloofsbelijdenis, en de Heidelbergse catechismus, beweerden juist het tegendeel. Arminius trok zich daar weinig van aan; hij wees het gebruik van dit soort geschriften af omdat alleen de Bijbel gezaghebbend is. Het dispuut tussen beide theologen en hun aanhangers liep zo hoog op, dat het tot een scheuring kwam. De nationale synode van Dordrecht in 1618 veroordeelde de 'remonstranten', zoals de aanhangers van de inmiddels overleden Arminius werden genoemd. 

Henricus Slatius was een verwoed remonstrant. Een fanatiekeling, geheel in lijn met zijn onstuimig karakter; door de pensionaris van Rotterdam, de bekende Hugo de Groot, was al eens het voorstel gedaan om de "woelzieke" predikant Slatius uit zijn ambt te ontheffen. Door de Synode van Dordrecht werd hij in 1618 daadwerkelijk verbannen. Hij ging naar Antwerpen en vond steun bij zijn geestverwanten. In 1619 gaf hij een hekelschrift uit tegen de contra-remonstranten: 'De bekeringe van den Ghepredestineerden Dief'. Het behoort tot de heftigste remonstrantsche pamfletten. Door een ander vlugschrift, 'Welbiddend onderwijs', wekte hij ook ergernis bij zijn eigen club, de remonstranten. Met de directeuren van de Broederschap kreeg Slatius slaande ruzie. Hij verliet Antwerpen met schuldeisers in zijn kielzog, en hij keerde in 1622 naar Holland terug. Wrevelig en op wraak belust vestigde hij zich te Delft. Hier probeerde hij aanvankelijk om met het maken van 'fijne wateren' - reukwater - in zijn levensonderhoud te voorzien. Maar het lukte hem niet echt op deze wijze zijn hoofd boven water te houden en hij verviel tot armoede. 

In 1623 nam hij deel aan een samenzwering tegen het leven van Prins Maurits. Misschien raakte Slatius er bij betrokken, omdat hij in zijn publicatie in "De klaerlichtende fakkel" zijn tegenstanders aanviel en daarbij ook de Oranjes noemde. Hij zou op grond van dit geschrift zijn uitgenodigd, deel te nemen in het complot. Hoe dan ook - in elk geval had hij daarin een fors aandeel: hij leverde de wapens die naar Den Haag werden gesmokkeld om Maurits te vermoorden. Toen de zaak uitkwam voordat het complot kon worden uitgevoerd, vluchtte Slatius. Vermomd als boer, reisde hij via Amsterdam naar Drenthe, omdat hij uit wilde wijken naar Duitsland. Te Rolde in een herberg trof hij een aantal soldaten, die op een geldtransport wachtten. Dit transport was verlaat en men was alert op de aanwezigheid van eventuele verspieders die een overval beraamden. Slatius voelde zich in deze sfeer niet echt op zijn gemak en besloot het door hem bestelde bierglas niet leeg te drinken en te vertrekken. Dat was verdacht en Slatius werd gearresteerd. Hij gaf een valse naam op, en bovendien vond men in een stuk brood dat Slatius bij zich droeg een grote som geld. Toen men vervolgens de informatie kreeg, dat het wel eens om de gezochte Henricus Slatius kon gaan, op wiens hoofd een prijs stond van maar liefst vierduizend gulden, was zijn lot bezegeld. Via Amsterdam ging de reis naar de gevangenpoort in Den Haag. Slatius trachtte zijn leven nog te redden door in het gevang zijn "Klaar Vertoogh" te schrijven. Daarin zwoer hij de leer der Remonstranten af en maakte hij hen verdacht.

Het mocht echter niet baten. Op 4 mei werd hem aangezegd dat hij ter dood veroordeeld was. In het geheim schreef Slatius vervolgens op een klein stuk papier een herroeping van het eerder door hem geschreven Klaar Vertoogh, dat hij verborg in de holte van een pennenveder. Voor het afscheid van zijn vrouw, waarbij hij met beide handen gebonden was, verborg hij dit in zijn mond. Tijdens de afscheidskus bracht hij dit voorwerp van zijn mond in de hare over. Zijn vrouw wist het voorwerp tijdens het drogen van haar tranen met een zakdoek ongezien uit de mond te werken en weg te stoppen waarna het nog diezelfde dag in druk werd uitgebracht.

Op vrijdag 5 mei 1623 werd Slatius vanuit het gevang ter onthoofding naar het schavot gevoerd.
Omdat de blindoek die hem was voorgebonden niet goed zat probeerde Slatius die met zijn handen goed te doen. Dit gebeurde net op het moment dat de beul het zwaard liet neerkomen waardoor niet alleen het hoofd werd afgehouwen maar ook een van Slatius handen.
Zijn lijk werd buiten de poorten van Den Haag op het rad gelegd. Zijn hoofd belandde op een staak. De afgehouwen hand werd op het rad gespijkerd.
Door zijn vrouw en enkele vrienden werden de resten van Slatius na zes dagen van het rad verwijderd en in het geheim nabij de Geestbrug begraven.
Daar werd de vurenhouten kist met zijn resten al na vier dagen door een ploegende boer ontdekt.
De stoffelijke resten gingen weer op het rad maar wederom werden ze door de vrouw van Slatius van het rad en de staak geroofd.
Ditmaal werden de resten per schuit vervoerd naar Warmond waar ze in een boomgaard begraven werden.
Ze zijn er niet meer gevonden.